|
Hospitaal |
Er is nu al heel veel geschreven over diverse aspecten van onze periode, 1946-1949 in Ned. Indië, en dan denk ik niet alleen aan de korte verhalen voor de website, maar in het algemeen. Ik ben geen schrijver en dat probeer ik ook helemaal niet te zijn. Ik ben alleen maar bezig wat herinneringen en gedachtekronkels aan het papier toe te vertrouwen. Het is al een aantal keren genoemd, en toch noem ik het weer, na 60 jaar is het dikwijls moeilijk, om maar niet te zeggen heel moeilijk om alles weer terug te halen wat toen al niet op papier is gezet. Natuurlijk is er documentatie maar dan is het citeren wat al door anderen is beschreven. Waarom deze eerste regels? Omdat deze verhalen niet gaan over militaire acties groot of klein, maar over van alles wat daarnaast ook nog gebeurde, hetzij binnen of buiten diensttijd. Daarom ook het hierboven genoemde onderwerp, ziek kon je overal worden dus ook in dienst. Tijdens de heenreis aan boord van de “Boissevain“ begon de voorlichting al over hygiëne en voeding en vooral drinken, er werden zouttabletten uitgedeeld om het drinken te bevorderen, nou hier begon het ziek zijn al mee, een aantal jongens zouden het liefst zelf over de reling gesprongen zijn want je werd er str….. ziek van, het bleek al snel dat ze niet meer ingenomen werden, maar overboord gegooid (vandaar dat het zeewater nog altijd zout smaakt). Het bleek dus dat deze goedbedoelde middelen alleen maar ongemak gaven.
het MS “Boissevain”
Later zou zich nog iets vervelenders voordoen, waar we nog een dag of drie hinder van zouden ondervinden. Na Port-Said was Pulau We, gelegen op de noordelijkste punt van Sumatra, met zijn natuurlijke haven bij het plaatsje Sabang, onze tweede aanlegplaats. We mochten daar van boord en gingen dus het eiland verkennen. Afgezien van de bloedhete Rode Zee en de Indische Oceaan, was dit dus de eerste kennismaking met de tropen en Ned. Indië en de vriendelijke eilandbevolking. Voor het eerst na de oorlog aten we bananen, papaja en andere lekkere ongewassen vruchten, we lieten ons voor een paar centen rondrijden in een bedja of ander inheems vervoermiddel, we zagen mooie bruine meisjes, na bijna vier weken aan boord kon het feest niet groter zijn. Toen we weer aan boord gingen namen we een hoop van die lekkere vruchten mee, voor de laatste drie dagen aan boord. Maar zo ver kwam het bij de meesten niet, 's avonds begon een ander feest: onze magen en darmen konden dat ongewassen fruit natuurlijk niet verdragen. De latrines waren continu bezet, en om het nu even netjes te houden, er waren te weinig latrines, en onze mooie “Boissevain” veranderde inwendig hier en daar van kleur maar vooral van geur. Het inwendige en het uitwendige van “MS Boissvain” werd dan ook flink met brandslangen onderhanden genomen door het scheepspersoneel.
Sabang op het eilandje Pulau We.
De geurversprijders, die zich zeker ook niet erg “senang” voelden, hadden nog een paar dagen, voor we in Tandjong Priok aan kwamen, de tijd om hun maag en darmen weer op orde te laten komen, zodat ze in Priok fris en fruitig van boord konden stappen, en om daar het door de dienst welfare verstrekte pakket met o.a. bier fruit (bananen) en sigaretten in ontvangst te kunnen nemen.
Nadat we al een aantal maanden in Buitenzorg gesetteld waren en de “normale” toeloop naar het spreekuur van de garnizoensarts, voor b.v. gekneusde ribben en enkels, en huiduitslag, ontstekingen en nog meer uitheemse en inheemse vreemde min of meer pijnlijke verschijnselen. Dan denk ik in de eerste plaats aan de artsen, niet direct aan hun kennis maar veel meer aan hun kant en klare antwoorden en behandeling, ik herinner mij Dr. Pelzer, Dr. Mijer en Dr. Goedhardt. Na dus die paar maanden, misschien een half jaar, kregen enkele jongens last van een heel klein puistje, meestal in een huidplooi b.v in de oksels, nek, middel en de liezen (vervelende plaats natuurlijk). Dat kleine puistje ging heel erg jeuken en werd geleidelijk groter en ging dus nog meer jeuken en er kwamen nog meer bij. Ze werden vaak zo groot als een halve euro met vurige blaasjes er omheen, zeer lastig. Het belemmerde alles in je doen en laten, ik heb het nu dus over “Ringworm”. Het is voor zover mij bekend een tropisch huidaandoening veroorzaakt door regelmatige transpiratie en de daarbij behorende hygiëne. Iedereen die wat langer in de tropen verbleef kreeg er mee te maken, de een wat eerder dan de ander, zelf dacht ik dat het aan mij voorbij zou gaan, want we zaten al bijna een jaar in Buitenzorg en ik had nog geen last gehad. Dus ik voelde me gezonder en sterker dan de meesten, tot ik op een zeker moment een klein puistje kreeg in mijn rechterzij. Nou toen was de boot aan, dus naar de dokter en die stuurde mij door naar de hospik, ook wel “genezerik” genoemd, uitkleden, en dan stond je met een man of acht op een rij, de hospik begon dan met een spons of kwast boven aan de hals dan oksels, middel, het hang en sluitwerk werd niet overgeslagen, pijnlijk, maar ja ! tenen en dan de achterkant, nek rug en ….. knieholtes, en dan stond je er weer “gekleurd”op. De TNI zou er voor op de loop gaan als ze dit hadden gezien. Het spul wat er op gesmeerd werd was jodium. Later werd het een paarse stof om te ontsmetten, als je weer aangekleed de deur uitging leek het er meer op dat er een koppeltje rood bont vee de wei in gelaten werd.
Zo ongeveer ging de ringworm bestrijding in zijn werk.
De hospikken deden dit, dachten wij, met sadistisch plezier.
wij hadden het gevoel dat we in brand stonden, van boven tot onder!
Maar ook de ringworm werd overwonnen, en als je de hygiënische spelregels goed in acht nam, konden we wat dat betreft er goed tegen. Minstens één keer per dag “mandiën” was noodzakelijk, en als je een keer goed een ringwormaanval had door gemaakt dan had je lichaam voldoende afweerstoffen opgebouwd en was je hier verder immuun voor. Kleine verwondingen en zweren waren ook veel voorkomend, de pelotons verbandmeester was hiervoor de aangewezen personen, afhankelijk van de ernst van de verwonding werd dit over het algemeen ter plaatse behandeld. Door het langere verblijf ging de algemene gezondheidsconditie merkbaar achteruit. Vanaf 6.00 u. ’s avonds mocht je niet meer met opgeslagen mouwen lopen, dit was om muskietenbeten te voorkomen, dus al een vorm van malaria-bestrijding, hoe slechter je conditie hoe gemakkelijker malaria een ingang vond. Ook vitaminegebrek en bloedarmoede kwamen steeds vaker voor, na een aantal klachten volgde meestal een opname in het HVA-hospitaaltje in Buitenzorg, dikwijls volgde daarna een kuur om weer wat aan te sterken, b.v. op de Puntjak waar voor dat doel een paar mooie bungalows stonden, in een wat milder klimaat.
Herstellings bugalows op de Puncak
In Buitenzorg was een goede Hupva (hulp verbandafdeling) gevestigd. De auto’s van dit onderdeel waren herkenbaar aan het wegreg. nr. 90. Natuurlijk beter van niet, maar als je dan toch opgenomen moest worden werd je daar goed verzorgd, het was er ruim en als lopend patiënt kon je goed buiten zijn. Ik herinner me nog dat Mw. Holst-Pelikaan een graag geziene gastvrouw was, zij kwam regelmatig langs met b.v. tijdschriften en van alles wat maar afleiding kon bezorgen, zo heb ik hier nog na bijna 60 jaar een leren etui, het materiaal kwam van haar en is naar haar instructie gemaakt. Zij kwam een keer langs toen wij, mijn naaste buurman en ik, net een ketel thee hadden gekregen, wij dronken uit wat beschadigde emaillen bekers. Mijn slapie schonk thee in en zij vroeg of zij niets te drinken kreeg, ja maar we hebben geen goed drinkgerei, nou waar jullie uit kunnen drinken kan ik ook uit drinken, mijn maat vroeg, lang of kort, haar antwoord, lang natuurlijk, niet wetend wat ze hiermee veroorzaakte, maatje ging op zijn bed staan en goot van die hoogte haar kroes vol, op haar kleding zat meer thee dan in de beker. Ze was in een witte jurk binnen gekomen en ging er gebruind weer uit.
In een van de ziekenzalen te Buitenzorg
ook veel slachtoffers van aanrijdingen kwamen hier terecht.
Maar daar zat zij niet mee, het was een fantastisch mens, ik denk dat zij toen ongeveer 50 jaar was. Toen ik haar voor het eerst meemaakte, kwam ze bij mij over als een bemoeial, maar dat bleek later heel anders te zijn, zij verving het directe contact met je familie, schreef ook brieven naar huis voor jongens die daar voor te ziek waren. Als je privé iets nodig had en het lag niet direct binnen je bereik, dan had je het nog dezelfde of de volgende dag op je bed liggen. Zij was meer dan een aalmoezenier en veldprediker – maatschappelijk werkster en psycholoog. Ik denk aan haar terug als een bijzonder mens. Waar het werk van de dokter en de zorg van de verpleger ophield begon haar vrijblijvende zorg waar je,je eigen verhaal kwijt kon. Dit was ook een onderdeel van het ziek zijn. Aan de hand van beschrijving en foto’s heb je kunnen zien dat je op de eigen, kamer of legeringsplaats niet te lang als zieke kon verblijven, na één of twee dagen van geen actieve dienst en een paar bezoeken aan het dokters spreekuur ging je over het algemeen al vlug naar het hospitaal, dit was dan afhankelijk van de aard van de klachten het HUPVA maar vaak bleek het maar een tussenstation te zijn. Voor grotere ingrepen zoals bijvoorbeeld operaties en zwaardere ziekten, ging je daarna of direct door naar het Groot Militair Hospitaal l of ll in Batavia. Voor zover mij bekend, had onze compagnie A.A.T. door beschietingen maar drie gewonden, waarvan twee ernstig die via het Groot Militair Hospitaal In Batavia later met de “Grote Beer” afgevoerd zijn naar Holland. Zelf heb ik de twijfelachtige eer gehad in Hospitaal ll te hebben gelegen. Ik had last van talgcysten, de chirurg stond voor me en sprak de legendarische woorden “hier kom je nooit meer vanaf”. Hij heeft gelijk gehad, ik heb er nog last van. Onder plaatselijke verdoving werd ik behandeld, ik dacht dat ik opgenomen zou worden maar nee hoor. Trek je spullen maar weer aan en zie maar dat je thuis komt. Aanvankelijk ging dat nog wel maar door de beweging was de verdoving vrij snel uitgewerkt, ik ben tot Mr.Cornelis gekomen en ben daar op het scheidingsmuurtje tussen rijweg en spoor gaan zitten. Al vrij snel stopte er een jeep die bracht mij tot voor mijn kamerdeur. Maar de volgende dag werd ik alweer naar de HUPVA vervoerd. De wond in mijn lies wilde niet genezen, er zaten 27 hechtingen in en het raakte ontstoken, en dus werd ik weer naar het hospitaal vervoerd. Nu gaat het hier niet om mijn vervelend en terugkerend kwaaltje, maar ik probeer de
< Mr.Cornelis>
link te leggen van het spreekuur van de dokter via, naar het vraagteken ?
Met het vraagteken rijst de vraag: wat gebeurde er met de ernstige gewonden? Er is natuurlijk een categorie die niet meer in de dienst terug kon, ik heb gehoord van jongens die niet terug konden naar hun onderdeel maar toch niet afgekeurd wilden worden, maar daar staan evenzo vele verhalen tegenover van jongens die blij waren dat ze naar huis konden, uiteraard was dit ook mede afhankelijk van de aard van verwonding of de handicap die daar door is ontstaan. Anderen bleven achter, dat weten we maar al tegoed, zij liggen met een kruisje op Menteng - Pulo. Op 7 Dec, branden we een kaarsje voor hen, en zijn er rijkgeuniformeerde personen, “genodigden”, die meestal niets met de jaren 46-49 en de 7 Dec.Div te maken hadden, bijeen om te herdenken bij een ”monument met 586 namen”, wat tegenwoordig net zo gemakkelijk verplaatst wordt of je een leeg blikje wegschopt. Laat ik terugkeren naar mijn opname in het Hospitaal ll dit was wat anders dan de HUPVA in Buitenzorg. En nu ga ik toch even buiten de A.A.T. want als je daar wordt opgenomen val je onder de subsistentencomp.
<Hoofdingang Groot Mil.Hosp.ll >
Op een kamer van vijf bedden, was het bed rechts om de hoek vrij, en was dus voor mij bestemd. Tegenover me lag iemand met een schotwond door zijn pols, een klein wondje aan de voorkant en een klein wondje aan de achterkant, niet zoveel bijzonders dus, vaak was hij overdag de vrolijke gangmaker, maar af en toe schreeuwde hij het uit van de wondkoorts. Op mijn rij in de hoek lag iemand van de Lu.ma., hij had na de bootreis nog niet meer gezien dan het Hospitaalbed, tijdens de rit van Priok naar Batavia had hij door een aanrijding een lelijke wond in zijn zij opgelopen. Ik vergat het personeel nog te noemen, hoe kon ik, het was allemaal gediplomeerd, wat ik gezien en meegemaakt heb, vrouwelijk personeel, met een hoge waardering voor hun inzet.
Hier een foto van de Zrs. Zinke Dieperink en Henneman, met in hun midden Johan Weustink.
Naast mij op het tweede bed lag iemand die een schotwond in zijn linker onderbeen had, ± 10 cm. onder de knie, een heel klein wondje liet zien waar het kogeltje naar binnen was gegaan, maar verder was er niets te zien, röntgenonderzoek bracht ook weinig aan het licht, verdere onderzoeken lieten zien dat de kogel door het holle been tot de enkel naar beneden was gezakt, daar is toen de kogel verwijderd. Van deze wond en wat eraan vooraf ging heeft hij vreselijke infectie en wondkoorts gehad, af en toe lag hij vreselijk te ijlen, soms overdag was het hem een beetje dragelijker en was hij voor mij ongeveer drie weken een leuke buurman. Deze buurman was -Johan Weustink - je ziet hem hierboven tussen zijn zusters.
het bijzondere is dat ik na 59 jaar weer contact met hem heb.
<op zaal in Mil.Hosp.ll>
Dit waren dan diverse aspecten van het ziek zijn, in meer en in mindere mate, tot en met het grote ?
Beal.1206