|
Mordan |
1-1-A.A.T. Werkplaats peloton Okt. 1946 – Okt. 1949
Eerder schreef ik al, in het artikel “Buitenzorg en nog meer” op pag. 2. over nog een bijzondere gebeurtenis in de korte periode Batavia, en ik zou daarop terug komen. Voor ingewijden ligt het voor de hand, dat het hier om Mordan gaat. Nu, bijna 60 jaar later, wil ik proberen aan de hand van geringe, destijds gemaakte aantekeningen, foto’s maar vooral herinneringen deze episode op papier te krijgen. Wel vaker heb ik gezegd: herinnering, fantasie en werkelijkheid liggen na 60 jaar, onbedoeld, vaak kort bij elkaar. Laat ik proberen bij het allereerste begin te beginnen. Toen we op 19 oktober 1946 in Nederlands-Indië (want daar hebben we het nu nog over) aankwamen, ook niet komend van een land van overvloed, waren we zwaar aangeslagen bij het zien van zoveel armoede en verval en wel het meest bij het zien van zoveel zwervers en bedelende mensen, mannen en vrouwen maar vooral kinderen, vervuild en zeer schamel gekleed, hun enige bezit was meestal een oud conservenblikje, voor velen een rijk bezit hier konden ze voedsel in verzamelen. Vooral de kinderen vielen het meest op, misschien ook door hun aanhoudend gebedel, niet alleen bedelend maar er werd ook gestolen waar ze maar konden. Het zal waarschijnlijk maandag of dinsdag geweest zijn dat ik, verkennend in de benedenstad, een paar militairen sprak die al wat eerder aangekomen waren. Van hen hoorde ik dat er af en toe zo’n zwervertje geadopteerd werd, nog dezelfde avond trof ik op pasar Glodok drie stoeiende jochies aan. Met tussenkomst van twee KNIL-militairen heb ik toen aan een van hun gevraagd of hij met mij mee wilde, maar daar moest hij niets van hebben. Wat later wilde hij toch wel als zijn vriendje ook mee mocht. Daarna ben ik direct weer terug gegaan naar ons verblijf en heb een gesprek met de commandant Maj. Visser gehad en heb mijn bedoeling kenbaar gemaakt en om toestemming gevraagd. Hij ging akkoord op voorwaarde dat hij goed behandeld werd en niet gebruikt werd als persoonlijk hulpje. Als het doorging wilde hij hem zien en moest hij door de dokter gezien worden. Deze acties vonden plaats op, naar ik meen 23 en 24 oktober 1946. Ook moest ik hierover contact opnemen met Sgt. Uiterwijk (afkomstig uit Bandoeng en goed Maleis sprekend) om proberen te achterhalen waar hij vandaan kwam en of hij nog familie had. De volgende avond ben ik samen met Bep v.d.Horst naar pasar Glodok gegaan en inderdaad daar liep hij nog met zijn vriendjes. Waarom nu juist hij? Nou, hij had wel een leuk bekkie maar hij zag er het meest goor uit van allemaal. Na eindeloos heen en weer praten met tussenkomst van weer KNIL-militairen is hij mee gegaan, hij rook lang niet fris en was te vies om een hand te geven maar hij liep met ons mee. Stel je voor, ‘s avond zo om een uur of 7.00, dan is het in Indonesië al pikdonker, wij en tussen ons in een vies stinkend Indisch jongetje met een lor als kleding, broek in dit geval, en een ovaal conservenblikje aan een touwtje om zijn hals. Zo liepen we van pasar Glodok in de benedenstad naar het oude gebouw van justitie, ons tijdelijk verblijf. Het gebouw had een carrévorm met een ruime open binnenplaats met in het midden een kleine spoel- en mandiegelegenheid. Ik ben toen naar de kamer gegaan en heb hem buiten laten staan bij de kamerdeur, met zeep en handdoek gewapend zijn we toen naar de mandiruimte gegaan met gebarentaal hebben we getracht hem te laten wassen maar van zeep had hij kennelijk nog nooit gehoord en dus werd dat voor gedaan tot hij begreep wat de bedoeling was, daarna gebeurde er iets wat ik nooit meer zal vergeten en als ik er aan denk hoor ik het nog, terwijl hij zich aan het mandiën was goot ik een flinke scheut benzine over zijn “broek” en stak dit in de fik, voor die tijd maar ook daarna heb ik nog nooit iemand zo horen huilen, en in paniek proberen zijn enige bezit uit de vuurzee te redden, gelukkig konden we hem vrij snel duidelijk maken dat er al een andere broek klaar lag, het was wel een kahki militaire onderbroek van mij, maar dat was geen probleem, hier en daar een beetje dubbel en een touwtje er om klaar. Daarna zijn we nog dezelfde avond naar de pasar gegaan en hebben daar een broek en overhemdje gekocht en een paar schoentjes maar dat bleek nog geen succes te zijn, daar op lopen moest nog geleerd worden dat kwam later wel. Nog even langs de kok, Bertus Heijnst, om een paar overgebleven boterhammen, een slaapplaats was al geregeld een stretcher er bij en klaar. Dit plan en deze actie was alleen maar uitvoerbaar met ondersteuning van het hele werkplaats peloton, een en ander was dan ook van tevoren met het peloton besproken, iedereen heeft dan ook een kleine financiële bijdrage geleverd. Maj. Visser had toegezegd dat hij na medische controle en onderzoek van herkomst, waaruit zou blijken dat hij geen thuis meer had, hij in de sterkte werd opgenomen. Zelf wist hij te vertellen dat hij in een kampong had gewoond niet zo ver van Batavia, en dat zijn ouders en een zus vermoord waren en dat hun huis met nog andere huizen verbrand zou zijn, deze gegevens zijn door Sgt. Uiterwijk en de I.D. nagetrokken en men kwam al vrij snel tot de conclusie dat het in Depok geweest moest zijn, in 1945 en april 1946 is daar door benden vreselijk gerampokt, wat dit betrof mocht hij blijven, wat zijn gezondheid betrof, was hij zwaar ondervoed en had een grote ontwikkelingsachterstand. Ook zijn gebit zag er slecht uit, hij zou een regelmatige tandartsbezoeker worden, terwijl ik een afschuwelijke hekel had aan de tandarts, ging hij er lachend naar toe. Dit werd dan ook beloond want gaandeweg begon het er beter uit te zien.
In de periode Batavia was het voor mij en voor ons leuk dat hij er was, je kreeg het gevoel dat je iets deed aan de schrijnende armoede van al die zwervers. Voor hem was het moeilijk, ineens een totaal ander leven en dan de taal hoe overbrug je dat als kleine jongen van ? ja zelf wist hij niet hoe oud hij was maar de dokter en de tandarts schatten hem op 6 of hooguit 7 jaar we hebben toen maar afgesproken dat hij op 7 Dec. 1940 Geboren was en toen dus 6 jaar oud was en dat is zo gebleven (hopen we). De periode Batavia heeft maar kort geduurd. Op 28 oktober vertrokken we al naar Buitenzorg, het enthousiasme binnen het peloton was groot toch kwamen er allemaal vragen, zoals kan en mag hij mee naar Buitenzorg en waar kan hij naar school. En dan de grote vraag, later als wij vertrekken ( dit was pas na 3 jaar en 3 maanden) gaat hij dan mee naar Holland, dit lag allemaal nog zo onzeker ver weg maar er werd toch al op brede schaal over nagedacht. Natuurlijk had ik, en ook andere jongens, naar huis geschreven dat we binnen het peloton een jongetje hadden geadopteerd, af en toe kwam er een leuke kaart voor Mordan uit Holland, in het begin heb ik eigenlijk nooit kunnen merken dat hem dat bijzonder aansprak, later werd dat anders, toen werden de kaarten rond zijn slaapplaats vastgeprikt. Inmiddels had ik samen met Jan Roede een jeep voor hem gemaakt waar ze met zijn tweeën in konden zitten en dan maar trappen, af en toe liet hij zich naar boven slepen en kwam dan met grote snelheid terug. Aan de Bantammerweg sliepen we met zijn drieën op de kamer, die niet erg groot was, hij sliep op een veldbed, in de kast had hij een eigen plank waar zijn spullen op lagen dat werd zo langzamerhand al een hele uitrusting. Naast zijn gewone kleding had hij ook een paar uniformen, Jan Hoek de beheerder van B.O.S.(Benzine Olie Smering) was van beroep kleermaker Via de foerier kwamen we aan het nodige uniformmateriaal en Jan maakte er een passend geheel van. Schoolgaan was er nog steeds niet bij, hij mocht niet naar St.Vincentius, omdat hij geen Hollandse naam en afkomst had. Zelf ben ik toen maar schoolmeester gaan spelen, maar al gauw kwam ik er achter dat ik niet voor schoolmeester in de wieg was gelegd, toch hebben we drie jaar af en toe wat rekenles gedaan. Hij zag er inmiddels goed gezond uit, dank zij de betere voeding, 's avonds ging hij mee met het keukenpersoneel om het overgebleven voedsel bij het hek aan de zwervers te verdelen, zelf wist hij uit ervaring hoe nodig dit was. Ja en dan blijkt weer hoe berekenend mensen zijn en hoe snel men vergeet.
Tussen de middag aten wij een boterham, dat ging allemaal vrij gemakkelijk onder een overkapping, drie grote tafels met wat banken er omheen men kwam en ging wat onregelmatig, Mordan was er ook altijd bij en nam dan vaak een paar boterhammen mee naar de kamer, zoals hij zei, voor straks, dit was al een tijdje zo gegaan, tot ik er door iemand op attent werd gemaakt dat Mordan door het hek aan de zwervers brood stond te verkopen, hij zag er dus letterlijk brood in, maar dat heeft niet zo lang geduurd. Ik heb hem toen mee naar de kamer genomen en hem zijn kleren uit laten trekken en netjes in de kast laten leggen en toen gezegd dat hij maar naar de kok moest gaan om een leeg blikje en dat hij maar weer tussen de zwervers moest gaan staan, nou dat was dus zwaar janken geblazen en nog veel meer maar hij zou het nooit meer doen, het is ook nooit meer gebeurd. Nog even terug naar, de grote vraag later, zelf heb ik nooit ambities gehad om hem later mee te nemen, ten eerste moesten we nog aan onze diensttijd beginnen hoe dit zou verlopen wisten we niet en hoe lang het zou duren was ook onbekend. Ik was toen 19 jaar, mijn toekomst moest nog beginnen, en wat had ik hem te bieden bij thuiskomst. Maar mijn vader was toen wel gaan informeren bij de gemeentelijke sociale dienst wat de mogelijkheden waren en die kreeg daar ook een negatief advies, dit soort emigranten was men ook nog niet gewend. Ook bij de officieren en onderofficieren scoorde Mordan goed, hij werd dan ook af en toe meegenomen naar Priok of Batavia als er bijvoorbeeld weer een boot met militairen uit Holland aangekomen was. Als hij dan mee gevraagd werd, zij hij, eerst even aan Allema vragen en dan trok hij zijn beste “pakian-deftig “aan en vertrok dan. Onweer had hij een vreselijke hekel aan, op een middag was het slecht weer. Echt een tropisch onweer met harde wind en stortregen op een gegeven moment een harde bliksemslag in een boom ongeveer 40 m. van het kamerraam waar hij kort bij stond, ik hoor hem nu nog gillen”Oh, dat is ’m bloedlink” en greep mijn arm vast. Zo zijn er veel herinneringen, teveel om aan het papier toe te vertrouwen (zie ook de foto’s met de Jeep e.a.). De tijd ging door en af en toe, bijna drie jaar lang, kwam natuurlijk de vraag, waar gaat Mordan naar toe als wij weg gaan. Eigenlijk dacht ik, en wilde ik, dat hij ruim voor ons vertrek al ergens in een opvangtehuis ondergebracht zou kunnen worden, dan kon hij af en toe nog eens langs komen, ik dacht dan is de stap niet zo groot. Regelmatig sprak ik er met hem over, ik kan U verzekeren dat dit geen leuke gesprekken waren, veel emotie kwam er dan los. Wat had hij in zijn jonge leven al meegemaakt, eerst het verhaal Depok, toen een zwerversbestaan, toen ineens in weelde leven tussen de militairen.



En nu zou hij weer naar ? ? ? een onzekere toekomst toe moeten. Maar vooral de scheiding greep hem het meest aan. Hoe en waardoor, weet ik niet goed meer maar toch leek er een oplossing te komen, van ? ? kreeg ik een adres in Batavia, op Weltevreden, dat is in de buurt van Mr. Cornelis, een wijk in Batavia. Ik ben daar naar toe gegaan, met het zo bekende lood in mijn schoenen, en heb het tehuis bekeken en een gesprek gehad met de directeur, om kort te gaan het zag er goed uit, en Mordan kon daar komen, en zou dus van nu af regelmatig naar school gaan. Een week later heb ik hem daar gebracht, het zal ongeveer eind augustus of begin september 1949 zijn geweest, ? ? na 60 jaar…… nietwaar! ! zijn meeste privéspullen zoals kleding enz zijn direct mee gegaan, zijn Jeep en nog wat spullen zouden later gebracht worden, het was een moeilijk, zeer moeilijk afscheid. Zoals beloofd heb ik een week later met Henk Knetsch samen zijn Jeep en de rest van zijn spullen gebracht, eerst ben ik binnen gaan kijken hoe het met hem ging. Gelukkig hadden we de jeep nog niet uitgeladen. Eerst kon ik hem nergens vinden, maar toen zag ik hem en daar schrok ik van, Hij zat stil teruggetrokken in een hoek, en zeer sterk vermagerd, in een week tijd. Mijn besluit stond ineens vast, “jij gaat weer mee terug“. Ik heb aan de directeur gevraagd of hij een paar dagen mee mocht, maar daar was geen sprake van. Tegen Mordan gezegd, als je ziet dat ik met de directeur praat, loop jij binnendoor naar de auto en springt er in, al pratend met de directeur zag ik hem in de auto springen, op dat moment gaf ik de directeur een hand, en zei, ik neem hem toch mee, en liep de deur uit, toen ik in de auto van de wachtende Henk Knetsch sprong, begon Mordan heftig te huilen, ik dacht van pure blijdschap, dat was ook wel zo, maar het ging om zijn kleren die achterbleven, en dus had hij niets meer. Na een benefietborrel hadden we weer wat spullen bij elkaar en Jan Hoek is weer even druk geweest, toen liep hij er weer keurig bij. Hij, en ik, zijn nooit meer op “Weltevreden “terug geweest. Thuis gekomen, in Buitenzorg, waren we weer terug bij af en moesten weer opnieuw beginnen met het zoeken naar een goede opvangplaats. Dit leek eerder te zijn dan verwacht, we hadden bij ons in de werkplaats een sergeant, die overleg had gepleegd met zijn relatie in Holland, wat hij zijn “Vleermuis“ noemde, dat hij Mordan mee zou nemen naar Holland, en dus aktie zou ondernemen om dit te regelen. Maar ook dat liep op niets uit want een aantal weken later werd de “vleermuis” bezitter overgeplaatst naar de 4e Comp. en heeft niets meer van zich laten horen. En nu moest ik weer op pad, nu zat naast ons, twee huizen verder, bij de R.K.-kerk de St. Vincentius-instelling, dit bestond uit een school met jongensinternaat. Eerder was ik hier ook al eens wezen praten, als broedergemeenschap zo dicht bij hadden we al een nauw contact soms was er wat te repareren enz. maar toen was er geen mogelijkheid, de instelling was alleen bedoeld voor westers georiënteerde kinderen. De toelatingscriteria waren nu waarschijnlijk wat bijgeschaafd. Men had één voorwaarde: hij moest een andere, Europees klinkende naam hebben, nou dat leek mij geen bezwaar. Na wat overleg binnen het peloton, zijn we op het volgende uitgekomen, Uiteraard ook in overleg met Mordan zelf, ik heb hem daar ingeschreven Onder de naam: Vincent van Aat, geboren 7 December 1940 te Depok. Vincent omdat hij naar het Vincentius internaat ging, Van Aat, omdat hij van de A.A.T. afkomstig was, en de 7 Dec Div. Het was een prachtige plaats voor hem ook om te gewennen, in zijn vrije tijd kon hij zo bij ons binnenlopen, wat ook nog regelmatig gebeurde, later bleek dat hij de grote favoriet was, hij had een Jeep en was met de militairen mee gekomen uit Batavia, hij was op veel plaatsen geweest waar zijn vrienden nog nooit van gehoord hadden. Natuurlijk is hiermee het verhaal, ruim drie jaar Mordan, zeer onvolledig, het is niet mogelijk om deze drie jaar op een paar A4’tjes samen te vatten, het is een greep uit een aantal goede herinneringen. Bij ons vertrek uit Buitenzorg op 6 november 1949, zijn we claxonnerend een rondje door Buitenzorg gereden, bij alle scholen stonden de kinderen te zwaaien langs de weg, zo ook de St. Vincentius school (zie foto). Dit is het laatste wat ik van hem heb gezien en gehoord. Hopelijk krijgt hij dit te lezen, dan wordt hij 7 Dec. 65 jaar. Dit is het verhaal over Mordan en het werkplaats peloton van 1-1-A.A.T.
Opgetekend door
Bert Allema
beal 905
