|
Met de "Kota-Inten"naar huis 26 nov.-24 dec.1949 |
* Met de KOTA INTEN naar huis 26 Nov.-24 Dec.1949.*
De zeereis terug is natuurlijk een apart verhaal. Denk eens aan het vooruitzicht van 27 dagen varen, een buitenstaander heeft geen idee hoe de ruimte in de ruimen waarin wij verbleven er uitzag, en bedenk daarbij dat buiten de scheepsbemanning om, 1500 militairen aan boord waren. 1500 militairen en één vrouw, dat was Truusje Koopmans. Als zangeres maakte zij deel uit van een NIWIN gezelschap met o.a. Kees Pruis, die terug keerden naar Holland. Onderweg zorgden zij dan ook voor afleiding en amusement. Nu waren wij de laatste jaren wel wat gewend wat betreft leef- en slaapruimte, maar 1500 man op een boot vraagt toch wel wat tolerantie onderling. Dat moest ook wel, want we sliepen met vier man boven elkaar (zie foto) op z.g. standeers.
En bedenk dan ook: bij het vertrek uit de tropen vaar je nog geruime tijd in de warmte en verbleven we dus veel aan dek want in de ruimen was het bloedheet en stinkend benauwd, alle patrijspoorten stonden open voor de ventilatie. Beneden mocht dan ook niet gerookt worden, niet alleen vanwege de lucht maar vooral vanwege brandgevaar. Ook aan dek mocht je geen peuken overboord gooien, je zou denken een hele grote asbak dat kan wel, maar een sigarettenpeuk kon door de zuiging door een patrijspoort binnen terechtkomen dan was een ramp niet te overzien geweest. Bovendeks was het ook bloedheet, veel jongens sliepen bovendeks in de openlucht.
Je moest dan op de namiddag al een geschikte plaats opzoeken want hier werd gretig gebruik van gemaakt, maar je moest er wel erg vroeg uit, want het scheepspersoneel ging iedere ochtend het dek afspuiten met een krachtige straal met de brandslang en als je dan nog heerlijk lag te pitten dan was het prijsschieten voor de matrozen en ze ontzagen je niet. Vanaf Priok naar Aden was een dag of twaalf varen over de Indische Oceaan, daarna door de Rode zee, deze beide gedeelten van de reis waren het heetste deel van het hele traject. Bij het begin van het Suezkanaal werd het al wat milder, toen hadden we er al 16 dagen op zitten, dat is 16 x 24 uur (nu, in 2006 vliegt men er vijftien en een half over). Niks doen, was het meeste wat wij deden. Aan boord hadden we geen baboes (dat was maar goed ook) dus moesten we dat zelf doen. We kregen daar speciale zoutwaterzeep voor, je kon er van alles mee behalve wassen. Ik vond ergens een lange dunne ketting, bundelde mijn wasgoed stevig bij elkaar met een eindje touw, het touw aan de ketting en dan door de patrijspoort naar buiten. Na drie minuten inhalen en de zaak was schoon en nog heel. Een vriend wilde de ketting ook wel even lenen, maar hij liep er even bij vandaan en na 6 minuten werd de ketting weer binnen gehaald, alleen in de knoop van het touwtje zat nog een stukje textiel, dat werd dus drie x rekening man. Aan dek werd dus na de was gezond en gekaart en geluierd. Van de ene naar de andere kant moest je over de kaartende menden heen stappen. In Port Said kwamen de Egyptische kooplui weer langszij om hun koopwaar aan te bieden.
Een heel ander verhaal is de mensen die vanaf de eerste dag zeeziek waren. Je mocht dan inmiddels wat gewend en onderweg naar huis zijn, maar dan was de lol er snel af. Het lijkt dat het alleen maar slapen, zitten, hangen en eten was aan boord, maar dat is toch echt niet zo. Het spreekt vanzelf dat hygiëne op een boot met meer dan 1500 mensen uiterst belangrijk is, daarom waren er ook corveeploegen aangesteld om alles goed schoon te houden. Door onderofficieren werd regelmatig gecontroleerd in de slaapruimen of alles wel netjes verzorgd en opgeruimd was. Voor de corveediensten werden vrijwilligers gevraagd en hier was wel animo voor het brak de dag een beetje. Zo’n boot heeft natuurlijk verschillende dekken en zowel in het voor- als in het achterschip was een ruime was/douche- en toiletgelegenheid, om de dag kreeg het voorschip of het achterschip een grote beurt. Het belangrijkste waren natuurlijk de douche- en toiletgelegenheden, hier werden mensen aan het werk gezet die goed met de brandslang om konden gaan, want hier werd ruim gespoeld en gespoten. Tijdens deze dagelijkse grote beurt kon er dus geen gebruik van de gelegenheid, toilet of douche, gemaakt worden, tot na de inspectie. Tot die tijd werd er altijd wel een gelegenheid voor noodgevallen vrij gehouden. Vaak waren de afvoerleidingen verstopt en die moesten weer gangbaar gemaakt worden dit waren nu niet de meest plezierigste klusjes, maar het hoorde er ook bij. Maar er zijn altijd mensen met hoge nood en wat doe je dan, stel je voor, je staat daar voor de deur, en je kunt niet meer wachten, misschien een beetje zeeziek of het eten is niet goed gevallen, wat diarree, dan ga je toch naar binnen en je doet daar wat je moet doen. Dan heb je toch zwaar pech gehad, want toevallig zijn die corveeërs twee 1-1-A.A.T.ers, en die zitten nu net op zo’n klusje te wachten en dus wordt daar flink de spuit opgezet. Op een goede dag komt er iemand naar binnen, hem wordt gezegd dat de boel nog niet klaar is, en kom na de inspectie maar terug maar hij liep op zijn gemak naar achteren en ging naar een toilet, om te doen waar het ding voor gemaakt is, nou dat was natuurlijk foute boel. Hem werd gezegd als jij gaat zitten dan spuit ik je er vanaf, maar hij dacht dat hij als sergeant meer rechten had, maar niet met zijn broek naar beneden, en noemde een naam, wij weer, al ben je de kapitein! Een van ons tweeën ging al naar de kraan de ander pakte de slang, de persoon liet zijn broek zakken om te gaan zitten, op dat moment kreeg hij de volle lading op zijn hang en sluitwerk, hij gillend en krijsend weg, wij denken dat hij hierna nooit meer een erectie heeft gehad. Hij riep nog we zouden er wel meer van horen . Even later had je het gedonder in de glazen, we werden via de boordradio op het matje geroepen bij de kapitein. In zijn hut vroeg hij, wie is de boosdoener. We traden allebei naar voren, want als de een de kraan niet open draaide had de ander niet kunnen spuiten. Wij kregen er goed van langs en er werd gedreigd met de krijgsraad. Daarna moest ik precies vertellen wat er gebeurd was, toen barstte hij in lachen uit, we hebben samen een stevige borrel gedronken en gingen met een grote sigaar de deur weer uit.
-Suezkanaal-
Dit zijn voorvallen die benedendeks gebeuren. Die corveeërs waren Piet Faber en Cees de Bruin. Tot aan Gibraltar liepen we nog in tropentenue. Net voor Gibraltar hebben we wel een lichte storm meegemaakt, en droegen aan dek wel wat zwaardere kleding.
Het scheepsvaart-kantoor voor het Suez kanaal (168 km. lang) waar de doorvaart werd geregeld, 15 schepen heen en 15 terug.
Natuurlijk is dit maar een greep uit de vele activiteiten aan boord. Zo werkte er ook een aantal jongens mee in de keuken, groente schoonmaken, de vaat doen enz. Waar dat maar even kon werden militairen ingeschakeld, en de jongens deden het graag. Voorbij Gibraltar werd het toch wel erg fris en werden de tropenuniformen verwisseld voor het Europese tenue. Het was inmiddels ook al rond 20 december dus het begon menens te worden, over een paar dagen zouden we thuis zijn.
Vanwege de temperatuur verbleven we meer beneden dan bovendeks, anders dan in de Indische Oceaan en de Rode Zee. Toch dwong nieuwsgierigheid ons steeds weer naar boven om ondanks de dikke nevelige bewolking te kijken of we nog niet een stukje Europese kust konden vinden, maar nee hoor, de nevel bleef tot we de Nieuwe Waterweg op voeren. Inmiddels veranderde de hele stemming aan boord, er werd minder gekaart. De tassen werden nog eens nagekeken, voor de zoveelste keer, werden we een beetje zenuwachtig? Natuurlijk niet, maar er hing wel een bepaalde spanning natuurlijk want we gingen naar huis. Al vroeg in de avond was men begonnen met het uitreiken van onder andere labels in alfabetische volgorde, niet op naam maar degene die het verst weg moesten kregen een A. dan een B. enz de hoogste letters woonden het verste weg en gingen het eerst van boord. Maar voor het zover was zouden we nog een incident meemaken. Lees maar, het originele verslag.
(Van onze speciale verslaggever)
Staande op de brug van de “Kota Inten” heeft kapitein Frits de Jonge ons het relaas van de aanvaring op de Nieuwe Waterweg verteld. “Gisteravond laat liepen wij de Waterweg binnen. Het zicht bij Hoek van Holland was slechts 1 á 2 mijl. Als gewoonlijk namen wij ook nu weer debarcatie-officieren op, die de ontscheping organiseren. Langzamerhand klaarde het zicht op en na een half uurtje gevaren te hebben, was het volkomen helder. Met “variërende vaart”, zoals de zeemansuitdrukking luidt, stoomde ik de rivier op. Het was nog vroeg in de ochtend toen ik plotseling aan stuurboord ‘n vissers- logger ontwaarde. De militairen die vrijwel allen over de reling hingen, begonnen direct te schreeuwen en te wuiven. Nauwkeurig hield ik de Noordwal aan, zo vertelde kapitein de Jonge verder, teneinde het loggertje te kunnen passeren. Dat was me ook zeker wel gelukt, wanneer de logger niet plotseling “naar bakboord” was uitgegaan en “voor ons over” kwam te liggen, vlak voor de boeg dus. Een verre van verstandige manoeuvre, want mijn schip had een te grote vaart om een aanvaring te kunnen voorkomen. Ik schrok me een hoedje en commandeerde onmiddellijk “op volle kracht achteruit.” Op hetzelfde moment echter begreep ik, dat mijn schip zeker boven op de logger zou botsen. Dit gebeurde dan ook na enkele seconden. Enkele minuten tijd had ik slechts om mijn gedachten te ordenen. In de wand van de logger was een gat geslagen. Wanneer ik nu achteruit bleef varen, zou het scheepje direct daarop wegzinken. Derhalve luidde mijn commando: “Zeer langzaam vooruit.” Op deze wijze vulde de boeg van mijn schip als het ware het gat op en was de kans groot, dat de logger aan de wateropper- vlakte bleef. En inderdaad mijn vermoedens werden bewaarheid. Het schip bleef op de boeg hangen. In die tijd heb ik ladders over de voorsteven laten hangen, teneinde de “Katters” gelegenheid te geven aan boord van mijn schip te klauteren. Dat deden ze onmiddellijk. Veertien minuten lang heeft hun logger op de voorsteven van de “Kota Inten” gehangen. Onderwijl had ik nog rekening te houden met de mogelijkheid, dat mijn schip aan de grond zou raken. Een gelukkige omstandigheid daarbij was, dat wij stroom tegen hadden. Het was niet mogelijk het anker uit te werpen, omdat ik bang was, dat de logger dan boven op het anker zou vallen, wat tot gevolg zou hebben, dat ik mijn schip niet meer los zou krijgen. Eindelijk toen alle visserslui aan boord waren, ben ik zeer langzaam achteruit gaan varen. Wat ik verwacht had gebeurde, de logger verdween in de diepte. De schipper, Arie van Duyn, was helemaal van de kook en vroeg het eerst naar een soldatenjas. Hij had het erg koud. In Rotterdam waren vanmorgen de Katwijkse vrouwen, die telegrafisch op de hoogte waren gesteld van de aanvaring, aan de kade. De Lloyd heeft auto’s beschikbaar gesteld en hiermee is het gezelschap heel vroeg reeds, in de richting Katwijk vertrokken.
--------------
Nadat ik mijn ontschepingpapieren en A. label in ontvangst had genomen, ging ik met Henk Klootwijk naar de bak en was, met vele anderen, getuige van de hierboven omschreven aanvaring. De jongens die in de regio Rotterdam woonden, gingen als laatsten van boord maar waren waarschijnlijk als eersten thuis. De handbagage was inmiddels al in een loods op de kade gebracht, en stond zo dat je er gemakkelijk tussendoor kon lopen om je eigen spullen er uit te halen. Eindelijk na veel handen schudden en groeten, was het dan zo ver, onderaan op de kade achter dranghekken, stond veel familie, afhalers, te roepen en te zwaaien naar de thuiskomers aan boord. Het was eigenlijk een heel vreemde gewaarwording dat je nu van die vertrouwde “Kota-Inten” af moest, en het gevoel gaf dat je echt naar huis ging. Het gevoel werd nog versterkt nadat ik mijn spullen bij elkaar had, en werd verwezen naar de plaats waar de bussen stonden die ons thuis zouden brengen. Al snel zag ik een voor mij vertrouwde en bekende bus staan, nog vertrouwder werd het toen ik daarbij een bekende chauffeur zag staan. Al vrij snel had de chauffeur de namen binnen die op zijn lijstje stonden, in totaal misschien een man of 15. Het was een lange rit naar het noorden, en het uitzicht deed erg triest aan. We waren jaren veel en altijd groen gewend, en de laatste vier weken zeewater, maar hier was alles grijs en kaal, en er waren toen nog geen snelwegen, een paar stukjes hier en daar. En dus reden we door veel dorpen naar een bestemming, en die was meestal snel te vinden. Waar veel mensen bij elkaar stonden en een ereboog zichtbaar werd, daar moesten we dan zijn. Maar zo rond 24 december is het al vroeg donker, en werd het soms wel even zoeken. Om 18.00 uur was ik thuis. Op 5 februari 1950 werden de meesten van ons gedemobiliseerd in Huis ter Heide, en dat betekende, voor mij het einde van vier jaar en vier maanden militaire dienst.
corvee aan boord van Cees de Bruin krantenartikel over aanvaring: Henk Peters
24
december 1949 na 3 jaar en 3
maanden de Kota Inten en
1-1-A.A.T. weer terug in
Rotterdam
Beal 206
Afstand Tandjong Priok – Rotterdam. met de” Kota Inten “
Aantal vaardagen 28
Aantal vaaruren plm. 642
Afgelegde afst.15942.58 km.8609 zeemijl(1 z.mijl–1851.85 m.)
Gemidd. per uur 24,83 Km.
________________________________________________________
Vertrek op zaterdag 26 Nov. 1949 om 13.10 U.
Afgelegde afstand per 24 u. van 12.oo tot 12.oo u.
Zat. 26 Nov.
Zon. 27 Nov. 331 z.mijl
Maan. 28 Nov. 358
Din. 29 Nov. 377
Wo. 30 Nov. 389
Do. 1 Dec. 370
Vr. 2 Dec. 408
Za. 3 Dec. 379
Zo. 4 Dec. 369
In de Golf van Aden.
Ma. 5 Dec. 378
Di. 6 Dec. 311
wo. 7 Dec 160 (in de haven van Aden)
in de Rode Zee.
Do. 8 Dec. 329
Vr. 9 Dec. 377
Za. 10 Dec. 354
in het Suezkanaal
Zo. 11 Dec. 247
Ma. 12 Dec. 101 ( Port Said )
Di. 13 Dec. 335
Wo. 14 Dec. 345
Do. 15 Dec. 293
Vr. 16 Dec. 284
in de Atlantische Oceaan
Za. 17 Dec. 283
Zo. 18 Dec. 343
Ma. 19 Dec. 328
Di. 20 Dec 292
wo. 21 Dec. 230
Do. 22 Dec 228
Vr. 23 Dec 210
Za. 24 Dec. 140 in Rotterdam.
om 9.00 u. debarkatie en met de bus naar huis.