De koks

De Koks in / en de keuken

De vijf pelotons lagen nogal verspreid in en rond Buitenzorg, dat betekent dat in principe elk peloton zijn eigen koks en keuken had, maar de transport pelotons A.en B. lagen kort bij elkaar en maakten gebruik van een gezamenlijke keuken voorziening, zo ook het staf- en werkplaats peloton,  Het begrip keuken is onderstreept en vraagt dus om enige toelichting. Denk bij keuken vooral niet aan een keukeninrichting zoals je dat in 2006 in de meeste woningen en showrooms  aantreft, nee het was overdekt en daar was dan ook alles mee gezegd, verder moest alles geïmproviseerd worden. Meestal was er geen kraan met stromend water en was dat wel zo dan liep dat met een dun straaltje, het water moest dus worden opgevangen in drums o.i.d. maar het consumptiewater werd aangevoerd in een tankaanhanger, dit water moest voor gebruik altijd gekookt worden. De kookgelegenheid in de keuken bestond uit een of meerdere grote gietijzeren pannen die op een stenen of stalen fundering rustten, onder de pannen brandde een houtvuur. De rijst werd gestoomd in een drum waar een plank met gaten was aangebracht onder de plank een reservoir met water wat aan de kook gehouden werd, op de plank een doek waar de rijst oplag, zo werd de rijst klaar gestoomd. Daarnaast was er nog een ruimte en gelegenheid voor bereiding van de nodige ingrediënten. Hoe dit allemaal in zijn werk ging zou een kok veel beter kunnen vertellen dan ik, daarom ga ik ook maar niet verder op dat aspect van het keuken gebeuren in. In het begin toen we in Buitenzorg kwamen hebben we nog een korte periode Hollandse voeding gehad, dit werd naar ik meen aangevoerd van de Preanger, hier konden onze koks in hun zwaar geïmproviseerde keukens goed mee overweg en wisten ook nog de nodige variaties aan te brengen. Maar daarna begon de ellende, Nederland was arm in die tijd, en had alle (oude) voorraden van het Brits-Indische legercorps overgenomen, en dat spul moest opgekauwd worden. Stel je voor weken achter elkaar gedroogde aardappelfrietjes van ongeveer 4 cm. lang die eerst geweekt moesten worden en dan moest de kok er nog iets eetbaars van maken, nou het was niet te vr…. daarnaast liters blikken leverpastei, wel lekker zou je denken, ja maar drie maanden achter elkaar ? ? niet meer. Na korte tijd wisten we daar wel raad mee, we brachten het naar de passar en kochten spullen die op de pasar verkrijgbaar waren zoals  b.v. bruine  suiker van na de periode van de houten frietjes, kwam de periode van aardappelmeel, een kluit van dat spul op je bord, je vork erin en bord en al bleef aan de vork hangen.

an volgen nog de blikken bacon zwaar gezouten spek en de stinkende Australische kaas.  Al dit soort zaken kregen we niet een enkele keer, nee weken, maanden achter elkaar iedere dag weer. Dit was het voedings –keuken-koks probleem in de laatste maanden van 1946 en begin 1947. Wie waren nu degenen die hier het meest onder leden, de Koks, en waar wij ons het felst op af konden reageren, de Koks. Daar hoort ook nog bij een blik chocoladehagelslag, dit was op de lange duur nog het best in te nemen. Let wel, deze blikken waren allemaal bedoeld als broodbeleg. We wisten natuurlijk best dat de koks hier niets aan konden doen, maar zij waren het adres waar wij onze frustratie kwijt konden. Het mag als vakmanschap beschouwd worden dat de KOKS met die middelen, keukengerei en ingrediënten nog iets eetbaars op tafel konden krijgen. De inhoud van de blikken was wel goed maar niet voor weken achter elkaar. Daarna begon de gewenning aan de Indische voeding, zoals nassi goreng en bami enz dit viel aanvankelijk ook niet mee, we waren dit niet gewend, maar dat duurde niet zo lang. De vlam onder de pan houden was het werk van Indisch personeel maar ook voor het bereiden van de warme maaltijd werden de koks bijgestaan door djongos. Het duurde dan ook niet zo lang dat er een goede maaltijd op tafel stond, iedere dag maar weer, en als ik dan denk aan de keukeninrichting en uitrusting dan hebben deze mensen symbolisch als A.A.T.er de meeste Km. afgelegd. Het mag dan een zijspoor lijken,  maar als ik af en toe een herdenking bezoek en ik zie dan de jonge veteranen in uniform staan, een beetje voorover hangend vanwege de glimmende kroonkurken, dan denk ik die hebben vast niet in Buitenzorg achter de kookpotten gestaan want dan waren die dingen bedolven achter een gouden plak van 50 cm doorsnee.

 

De koks; Heust-v.Duin-Hogenwoning-Peters-Kûlman-v.d.Plas- niet op de foto, Schoenmakers en Harders van de verzorging.

Er moest nu eenmaal veel gedronken worden, daarom stond er bij de keuken altijd een verse gamel hete thee klaar. (werd ook wel voor scheerwater gebruikt). Rechts naast de keuken was de “cel “dit was een vrij lange ruimte, waar wel vijf bedden konden staan, dus er konden ook wel vijf ”gasten” worden ondergebracht. De linkermuur was de scheidingsmuur tussen keuken en cel en was ± 2.20 m. hoog, als je op de tafel stond die tegen de muur stond, dan kon je zo in de keuken kijken. Zelf heb ik de eer gehad om daar twee keer als gast te mogen verblijven. Dikwijls gebeurde het dat we de stem van een van de koks aan de andere kant van het muurtje hoorden roepen, “jongens pak even aan” een van de  >gestraften< sprong dan op de tafel, en dan kwam er van alles over de muur waar Maj. Visser geen weet van had, van een grote taart tot blikken met zuidvruchten een flesje Bokma enz. onder de tafel die opzij en aan de voorkant afgedekt was, stond het hoog opgetast van het goede der aarde. Als je met twee man twee weken zwaar zou krijgen, zou je er een week bij moeten vragen om de voorraad onder de tafel weg te werken. Adoe, kasian, met die A.A.T.ers die niet in de”cel”hebben gezeten, zij hebben zoveel gemist, weet je ! !

 Dat waren onze koks. Wout Hellings – Bertus Heijnst.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                               

Als ik oud A.A.T.ers vraag om een stukje herinnering op papier te zetten, dan krijg ik meestal te horen: “Het is al zo lang geleden en ik ben zoveel vergeten en ik ben niet zo goed met de pen.”.  Maar met wat aandringen, blijkt dat allemaal wel wat mee te vallen, zelfs voor sobats met een beperkt gezichtsvermogen.  In het vorige keukenverhaal noemde ik al, wat het keukengebeuren aanging, dat dit het best door de koks kan worden verteld. Hier volgt dan een koksherinnering, het verhaal van Peter Külman. kok bij het wpl.plt. “Je beschreef de keuken al. Maar hierbij de juiste opstelling en indeling. Zoals je al eerder noemde was de keuken overdekt maar open, de vloer van de keuken lag ± 10 cm. hoger dan de galerij. In het front van de keuken had je links het magazijn, en rechts de “cel” en het mandihok, in het midden voor een grote uitdeeltafel, in de werkruimte hadden we een muurtje van ± 1.00 m. hoog, het kookblok was van beton, we hadden 4 vuren. Op het eerste stond altijd een grote pan met heet water. Boven het tweede, de grootste zat altijd een wadjan van 1.20 m. doorsnee, dan een kleinere, meestal voor de groente, hier kon ook een braadslede in geplaatst worden. Rechts naast het keukengebouw stond de watertank, ook al eerder genoemd, de wateraanhanger voor aanvoer van goed water. Links was onze kamer met uitzicht op de latrines.  Twee van ons stonden om 6.00 u. op, de derde man mocht uitslapen.  We zorgden voor koffie / thee en sneden brood en zetten het beleg klaar. Rond 10.00 u. stond de koffie klaar voor de liefhebbers. Om 9.00 u. begonnen we al aan de middagmaaltijd te werken. Aardappelpoeder en bacon, ik geloof niet dat er een houdbaarheidsdatum op stond. Als we vers vlees hadden zorgde Wout altijd voor de porties, hij was tenslotte slager van beroep.  

 

de “gifmengers” Bertus – Peter – Wout

Het was soms, vaak, heel moeilijk om van hetgeen we hadden een smakelijke maaltijd te bereiden. De rijstmaaltijden waren altijd heel goed, vooral de sajoers (groente), altijd verse boontjes en kruiden die door de baboe’s werden gestampt in een vijzel. Bertus Heijnst was een pikeur in het bakken, maken van taarten en gebak en broodjes. (denk hierbij even aan het verhaal van taarten over het muurtje in de cel, ik herinner me dat ik daar eens logeerde met Jan Hoek en Evert de Niet, we kregen een taart toegereikt van wel 6 cm. dik en netjes gegarneerdmet, < Niet Allemaal Hoeken> ), deze spullen bakten we vaak.  Het eerste jaar heb ik bij de staf in Batavia gezeten, dus ik heb de slechte beginperiode niet meegemaakt. We hebben enkele malen een groot diner georganiseerd, de eerste keer toen we een jaar van huis waren  en toen we de voetbalcompetitie hadden gewonnen en met de Kerstdagen 1948. Ik had wat kookboeken, daar had ik wat menu’s in het Frans uitgehaald. Ted v.d.Veer heeft menukaarten getypt, de kantine werd gezellig gemaakt met lange tafels, de officieren en onderofficieren liepen te bedienden (naar Engels model, de 7 Dec Div was ook naar Engels model opgezet). Bertus, Wout en ik zijn dagen in de weer geweest om alles te laten slagen. We werden door Maj. Visser in het zonnetje gezet, daarna werden er pakketjes van geïmproviseerd, primitief, maar vakwerk en lekker het thuisfront uitgedeeld.

drie gouden plakken !

We hebben het in de keuken vaak heel moeilijk gehad, niet met het werk, maar om van het niets iets eetbaars te maken. Ook kregen we wel eens vis op vrijdag, daar maakten we een soort speciaaltje van, dat ging er ’s avonds goed in.  Fruit hadden we altijd voldoende, en de toetjes waren ook altijd goed , ondanks dat we altijd met melkpoeder moesten werken.”. P.Külman  en D.Hoogenwoning.

Dit is dan het verhaal van de koks, zo ongeveer zouden alle koksverhalen er uitzien, de een wat meer van dit en de ander wat meer van dat, meer en minder improvisatie. En iedere avond was er een bewust overschot wat aan de zwervers bij het hek werd uitgedeeld.

 

Beal 606